Attentie

16. De merkwaardige geschiedenis van Prins Ganjuuryn Dschero Khan

Op 30 juni 1992 ontvang ik uit handen van Prins Dschero Khan het ordeteken van de Koninklijke Bordschigin Familie. Hij bezoekt mij daartoe ten gemeentehuize in vol ornaat. Met respect heb ik hem in de Collegekamer ontvangen. Behalve het ordeteken en de daarbij horende oorkonde, schenkt hij een geknoopt tapijt met de afbeelding van Dzjenghis (Gengis) Khan. De Mongoolse vorst houdt hof aan het Rubensplein in Horst.

“Achter alle dingen staat de schaduw (yin)

Op alle dingen valt het licht (yang)”.

 

Aldus Lau-tse 400 voor Chr.

De Kanselarij der Orden

Wanneer een burgemeester een buitenlandse onderscheiding ontvangt, is hij gehouden hiervan melding te doen aan de Minister van Buitenlandse Zaken. Er is overeenkomstig deze richtlijn gehandeld en van het Ministerie is bericht ontvangen dat geen bezwaar bestaat tegen aanvaarding ervan. Het ordeteken der Koninklijke Bordschigin Familie staat niet geregistreerd bij de Kanselarij der Nederlandse Orden. Het Directoraat-Generaal beschouwt de Prins conform de vermelding in zijn diplomatiek paspoort als adviseur van de Mongoolse regering. De geloofsbrieven van de Prins zijn, desgevraagd, met paspoort aan het Directoraat doorgezonden.

De stamboom van Dzjenghis Khan

De oorsprong van het adelgeslacht Bordschigin van Mongolië stelt men vast op 1102. Turken en Kirgiezen zijn verdreven. Prins Jesiugeï Baghatur van Bordschigin en zijn vrouw Prinses Ögelen Chatun werden in 1162 de ouders van Tegrin Ögguksen Temudschin. Dat betekent: door de Goden verlicht. Bloedtekens waren zichtbaar in de handpalmen van de pas geborene. Temudschin kreeg later de titel van Tschinggis Chag Chan. Het Huis van Dzjenghis Khan heerst over Mongolië vanaf 1206. Dertig Khans stammen in rechte lijn af van de beroemde Gengis. Het is dan 1543, het sterfjaar van Batmunkh Dayan Khan. Het Huis gaat nog verder tot 1654. Daarna zijn er geen Khans in rechte lijn meer beschikbaar. De afstamming echter, gaat vanaf Batmunkh Dayan Khan ook verder via een ander kind. Uit die lijn van de Bordschigin Familie, komen we bij de 18de afstammeling: Prins Ganjuuryn Dschero Khan. Ook hij werd geboren met bloedtekens in zijn handpalmen. Zijn geloofsbrief van 12 mei 1991, is geautoriseerd door Gongoryn Bars, de ambassadeur van de Volksrepubliek Mongolië. De geloofsbrief is vergezeld van een brief van de President van Mongolië Punsalmaagiin Otschirbat aan Hare Majesteit Koningin Beatrix ter introductie van Gerard Meijers, zoon van Prins Ganjaar.

De kleine Chen Tao Tze

Prins Dschero wordt als enigst kind geboren in 1928 (het jaar van de draak) in Ulaanbaits. In 1932, als de Prins vier jaar oud is, heeft zijn vader hem toevertrouwd aan een Taoïstische monnik en hen samen op reis gestuurd. Langer blijven in Mongolië wordt te gevaarlijk. De communisten roeien waar mogelijk de adel uit. Dwars door China gaat het, drie jaar lang. De monnik noemt de kleine Bordschigin Prins uit veiligheidsoverwegingen Chen Tao Tze. In Shanghai stappen ze op een boot naar Indonesië. Zijn Mongoolse geboorte akte zit in een leren buideltje om zijn nek en wordt ontcijferd in een boeddhistisch klooster in Semarang.

Onderzoek

De verificatie vindt plaats in samenwerking met de Lama Gesha-la Lhundup uit Tibet, waar de vader van Dschero Khan heeft gestudeerd. De kleine Chen Tao Tze wordt bevestigd als de zoon van Prins Ganjuurjav Khan van Ulaanbaits aan de Onon-rivier in Khentii en Prinses Altan Cesek van Kalashin uit Gobi. Als ook bij zijn geboorte bloedtekens zichtbaar zijn in zijn handpalmen, vertelt een Sjamaan zijn ouders: “Hij wordt een Lama monnik of een krijger”. Uiteindelijk wordt dat bewaarheid toen Dschero in 1984 is ingewijd en bevestigd als “hoofd” lama-monnik. De Sjamaan voorspelt ook dat Dschero de laatste telg zal zijn uit het vorstengeslacht. Een epos wordt afgesloten.

Adoptie

In de luwte van het klooster komt hij de Japanse bezetting door. Teruggaan naar het China van Mao is geen optie meer. Uit veiligheidsoverwegingen in het instabiele Indonesië, komt er adoptie tot stand door de KNIL-militair Gerard Meijers. Begin jaren vijftig gaat hij met hem naar Nederland. Om actief te blijven in de strijd tegen China, vertrekt hij in 1952 als vrijwilliger naar Korea. Hij belandt in een ontstuimige levensfase en ontwikkelt zich, naar de tradities van zijn voorvaderen, als een strijdlustig krijgsheer. Er volgen (internationale) kwalificaties, onder andere verlening van de graad in de 12e Dan als karateka (Chinese traditional martial Arts & Philosophy). Na de dood van de Chinese dictator aanvaardt hij in 1991 een uitnodiging van de Mongoolse regering om zijn vaderland te bezoeken. Hij wordt met veel egards ontvangen. Hij komt eindelijk tot rust, blijft betrokken bij het wel en wee van Mongolië, maar kan er niet meer aarden. Zijn levensgeschiedenis wordt gepubliceerd in de De Telegraaf van 27.03.1993. De aanvullende notities zijn mij toegezonden door Dschero Khan op 23.12.2006. Hij leeft volgens oude Taoïstische vorstentradities:

*

Weten dat je niets weet. Alles op aarde is vergankelijk.

Nergens is er een rustpunt. Alles is in beweging.

De dood bestaat niet.

Er zijn dingen die hoger staan dan het leven.

En hoger dan de dood.

De dood is in eenheid met het leven zelf.

De geboorte is het wonder!

*

Zegel van Tschinggis Chag Chan

Prins Dschero heeft toestemming gegeven het zegel van Dzjengis Khan in deze korte geschiedschrijving op te nemen. Het luidt: “Onder de eeuwige hemelse macht en op bevel van de Kha Khan, heerser over het hele Mongoolse volk: Alle onderdaanse volkeren moeten zijn Zegel gehoorzamen en vrezen”.

Ten noordoosten van Oelan Bator

Inmiddels groeit internationaal de belangstelling voor de Koninklijke Mongoolse Familie. Het mausoleum in het verlaten Ordos-gebergte in Binnen-Mongolië, is indrukwekkend. De stam der Darkhats is van oudsher belast met de bewaking van alles wat de Khan achterliet. De vindplaats van het werkelijke graf is tot op heden niet bekend. Allen die bij de begrafenis aanwezig waren, zo meldt de legende, werden gedood. Men neemt aan dat het graf te vinden is 300 kilometer ten noordoosten van de hoofdstad Oelan Bator. Op de vermoedelijke graflokatie zijn inmiddels door archeologen de fundamenten van zijn paleis blootgelegd. (NRC 23.08.2002 en DDL/AP 07.10.2004). Zie ook Internet.

Herinneringen:

  • Op 30 juni 1992 wordt mij ten gemeentehuize het Ordeteken der Koninklijke Bordschigin Familie verleend door Prins Ganjuuryn Dschero Khan, afstammeling van Gengis Kha Khan, zoon van Bordschigin Prins Ganjuur Khan.
  • Jongeren uit Mongolië bezoeken een enkele maal het gemeentehuis. Zij studeren aan de naar Mongoolse opvattingen ingerichte Taoïstisch-esoterische Universiteit Horst.

 

Dit artikel is onderdeel van de in 2007 gepubliceerde bundel Late Haver.